Interview with Leo Beukeboom published in 1983

5 November, 2016  |   No comments

Letterschilder Leo Beukeboom (Amsterdam, 1943): ‘Mijn eerste echte klant was een transportbedrijf. Een jongen van de Albert Cuyp hier die ik kende sprak me aan: hé Leo, mijn baas heeft letters op z’n auto nodig; jij bent toch letteraar of iets dergelijks. Ik zei: ja hoor, dat doe ik wel. Nou, dat ben ik wezen schilderen. Onzeker, op een krukje, weet je wel, een paar penselen kopen en wat potjes verf. Zoiets groots had ik nooit gedaan. Ik leerde de ruimte ontdekken, in het grootschalige beelden oproepen. Ik tekende nog klein en iel. Toen ik het naderhand zag, vond ik mezelf een bescheiden jongen. Het kon grootser. Onbewust durfde ik het niet. Maar later ben ik wel groter gegaan, tot zó groot dat ik weer ben teruggegaan. Ik was altijd al met letters, altijd met schilderen en tekenen bezig. Iedereen in de buurt van de Van Ostadestraat waar ik toen woonde wist dat. Met alles aangaande letters en tekenen kwamen ze naar Doppie, zoals ze mij toen noemden. Ik maakte grote plakkaten voor de biljartvereniging van het cafeetje op de hoek of tekende in een leuke letter een affiche voor de bingo-avond. Ze wisten: die Leo is handig. Ik voelde me trots als de mensen uit de buurt me iets vroegen. Ik sloofde me daar tenminste altijd voor uit. En zo begon het, van lieverlee, langs de straat. Op een gegeven moment liep ik een oude schoolkameraad tegen het lijf. Die was waterschilder. Hij maakte van die uitverkoopborden, van die dingen met ‘alles moet weg’ erop. Hij had nogal wat werk en deed een beroep op mij. We hebben samen heel veel gedaan. Hij wilde zelfs dat ik zijn kompagnon zou worden, maar dat deed ik niet. Ik was te veel een ‘vreemde eend’. Ik vond het werk ook wat ordinair. Bijvoorbeeld die lantaarnpalen. Je hebt zeg maar zo’n zestigduizend lantaarnpalen in Amsterdam en die werden door de gemeente eens in de vijf jaar opnieuw geschilderd. Maar al die palen hadden een bepaald nummer en een bepaalde kode op tweetwintig meter hoog in een keurig penseellettertje. Die dingen moesten na het schilderen opnieuw worden aangebracht. Mijn vriend nam die klus aan voor een bepaalde prijs. Samen gingen we dan op pad en werkten een hele buurt af. Dan schilderde ik zesduizend palen of zo in een paar weken. De Rivierenbuurt heb ik helemaal gedaan, een deel van Osdorp, een deel van Geuzenveld, een deel van Amsterdam-Noord.
Nu schilder ik alle café-ramen voor de Heineken Brouwerij. Dat is driekwart van mijn werk. Voor de rest doe ik klussen in m’n eigen buurt, de Albert Cuyp. De andere buurten doe ik niet; dat kan ik niet aan. In de Dapperbuurt kom ik ook en verder doe ik wat dingen voor marktmensen en kleine zelf-standigen. Die kennen elkaar en hebben verbanden met elkaar. Daardoor kom ik nog wel eens in Noord of in de Vespuci terecht. Nee, ik ben niet in dienst van Heineken. Dat zou ik niet kunnen. Ik wil zelfstandig zijn. Ik kom uit een beetje knechtig, een beetje dienstig milieu. Ik kies voor mijn eigen waarde. Ik ben iemand die zich verzet tegen moeilijke hiërarchische strukturen. Mijn eigen ja is ja en mijn nee is nee.
Ik wil Leo zijn, Leo Beukeboom, die handig is en letters schildert en zijn dienstbetoon uitvoert naar zijn kunnen en zijn beste weten. Heineken is mijn grootste opdrachtgever. Die bellen konstant in mijn antwoordapparaat drie, vier, vijf, zes, zeven namen van café’s door. Daar schilder ik dan de ruiten en als dat klaar is krijgen ze van mij de rekening. Dat doe ik nu al veertien, vijftien jaar. Ik ben erin gerold dank zij die vriend van mij, die waterschilder. Die was weer getipt door een etaleur van Heineken, die hij kende van de etalage-school. Affijn, ik schilderde een proef-ruitje in de Jacob van Lampenstraat voor, ik geloof, vijfenzeventig gulden. Het was niet zoveel werk. Gewoon café huppelepup, Heineken bier, telefoon. Ja, de naam Heineken moet er altijd bij staan. Dat is hun enige eis. Dus ik schilder dat. Ze vonden het goed en sinds die tijd heb ik carte blanche.
Ik tekende al goed op de lagere school. Ik kon ook heel mooi schrijven. Op de ulo daarna was ik goed in de technische vakken. Niet in taal. Ik ben niet goed in taal. Ik kan geen boek lezen, tenminste geen roman of detective. Wel Plato of Descartes of Wittgenstein of iets technisch, maar geen romannetje of één of andere populaire toestand. Terwijl ik op de ulo zat, solliciteerde mijn broer bij een drukkerij op de Singel. Maar mijn broer was niet handig. En dus zei mijn moeder: dat is meer iets voor Leo, die is gek met letters en kan mooi tekenen. Ik verzette me ertegen. Ik wilde de ulo afmaken, omdat ik naar de film-akademie wilde. Maar mijn moeder zei: mensen zoals jij hebben ze nodig. Omdat ik op school moeilijkheden met een leraar kreeg, gaf ik toe. Ik ben toen in die drukkerij begonnen als leerling en ging tegelijk de grafische school volgen.
Na een tijdje werd ik op staande voet ontslagen, omdat ik een letterbak had laten vallen en nog stond te lachen ook. Later zag ik op de Ruysdaelkade bij een drukkerij een advertentie staan, waarin een letterzetter werd gevraagd. Daar heb ik toen tot mijn achttiende gewerkt. Toen ik na twee jaar avondschool m’n diploma had, kreeg ik iets van: bekijk het maar, het is een leuk vak, maar ik wil iets zelf doen. Met een straatvriend heb ik toen een jaartje in een keldertje versterkers gebouwd. Tussendoor maakte ik ook nog een keer letters op de ramen van een steengaas-bedrijf. Toen moest ik in dienst, maar ik weigerde en werd als erkend gewetens-bezwaarde tewerkgesteld in de Rijks Psychiatrische Inrichting in Eindhoven.
Ik had een wit jassie aan en een bos sleutels en kreeg te maken met kollega-dienstweigeraars en de hele hiërarchische struktuur van de medische wereld. De godheid geneesheer-direkteur en de psychologen en psychiaters en daar hoorde je je aan te schikken. Na zesentwintig maanden keihard werken kwam ik eruit. Ik was een beetje vervreemd van Amsterdam. Ik kon voor een paar weken bij m’n ouders in de kost. Maar ik was tweeëntwintig en vond van mezelf dat ik mijn eigen graankorreltje moest verdienen. Ik wilde werken en had me één ding voorgenomen: voor mezelf beginnen, mijn keuze, mijn verantwoordelijkheid volgen; mijn geloofwaardigheid over laten komen, zonder dat iemand er tussen zat. Nou eh, letterschilderen, dat was mijn metode. Dat behoorde tot mijn mogelijkheden. Ik kon het alleen doen en had er niet veel materiaal en geen kapitaal voor nodig.
Ik heb een bromfietsje al zeventien jaar en ik heb een oud kistje of een oude tas achterop, zo herkennen ze me in Amsterdam, en daar heb ik de kleurtjes in en de penselen en zo werk ik. Als je in de binnenstad een café ziet dat je leuk en aardig vindt, dan kun je er vijfennegentig procent zeker van zijn dat ik het geschilderd heb. Ik schilder van die krulletters ja, maar ik kan ook alle andere letters schilderen. Noem maar een lettertje op en ik schilder hem voor je. Zelf ben ik iemand die de boekdrukletter trouw is. Dus de letter die het minste opvalt. Nee, geen strakke letter, de menselijke letter. De letter met schreven, met handjes, met elleboogfes, met ronde aftoppingen en dergelijke. Kijk, een boekdrukletter, die heb een funktie. Als je een boek maakt, een mooi boek, dan neem je een romaans lettertje, een garamont-achtig lettertje. Waarom? Dan krijg je geen pijn in je ogen. Maar een boek kun je niet maken met een krulletter. Dat kan niet, daar kom je niet doorheen. Die boekdrukletter heeft funktie voor de leesbaarheid, de duidelijkheid, het informatieve. Die andere letter, die krul, dat is bijna het tegenovergestelde van het dienen ansicht dat is de versiering, het spelen met, je bijna te buiten gaan aan de orde. De middenzónes van die letter zijn in wezen allemaal even strak, maar de boven- en onderzónes, daar kun je mee gaan spelen. Dat geeft de sierlijkheid eraan.
Dus als je een bruin café hebt -in wezen behoeft een bruin café geen letters meer, want de mensen uit de buurt komen toch wel- dan heb je van die lekkere donkere ramen. En wat is daar aardig aan? Om ze een beetje te versieren. Om ze een beetje het idee van een gordijn te geven, het mooie kanten gordijntje met een koperroetje, een subtiel plantje met een gouden kettinkje of zo, om het te breken, om het mooie architektonisch-steriele raam zeg maar, om dat effe te dekoreren. En dan is zo’n krullettertje prachtig. Ik betrek de sfeer, het karakter, de omgeving van de ruit waar ik op schilder in de letters die ik maak. In eerste instantie vraag ik het aan de kroegbaas zelf. Als die heeft gezegd wat hij erop wil hebben, vraag ik hem of hij een bepaalde voorstelling heeft van wat voor lettertype hij wil hebben en wat voor kleur en waar hij het wil hebben en in welke vorm. Zegt hij: ik wil het in de linkeronderhoek, dan zeg ik: dat kan. Maar dan heb ik wel mijn eigen voorkeur, mijn eigen kritiek. Dan zou ik zeggen: vind je dat niet iets te bescheiden. daar moeten mensen vanaf een afstand naar kijken. Op die manier geef ik adviezen. Maar mijn intentie is om de klant het gevoel te geven dat hij zelf de keus maakt. Meestal pak ik een papiertje en een potloodje, bekijk de situatie en maak dan bijvoorbeeld drie schetsjes van dingen die ik mooi vind. Een boogie, dat is wel leuk vaak voor een café. Niet zo besloten, hè.
Een boogie in een mooi schrijflettertje en met een paar krulletjes een versiering maken. Of een mooie, strakke, degelijke leesbare letter, of een gotische letter of weet ik wat. Oh ja, die vind ik leuk, zegt de klant dan, kun je die letter voor me maken? Ja natuurlijk, zeg ik. Nou, zo geef ik de klant het idee dat hij zelf heeft gekozen. Ik ga niet zeggen: ik weet het allemaal precies voor u, gaat u maar zitten en wacht u nou maar rustig af; nee, daar hou ik niet van. Als we het samen eens zijn, vraag ik een trappetje, want dat heb ik nooit bij me. Ik probeer een beetje op schouderhoogte te staan en zet twee hulplijnen uit. Dan pak ik een potje verf en een penseel en zet ik effetjes dat tekstje erop. Nu doe ik zo’n belettering in drie kwartier tot een uur. In het begin deed ik daar vier uur over, met zweet in m’n handen.
Je hebt natuurlijk te maken met de wrijvingsweerstand van de verf Maar dat is een kwestie van tijd. Het gaat gewoon met een bepaalde snelheid. Dat is afhankelijk van het weer en het type verf enzo. Ik steun met de ene hand op de andere hand en voel zo wat die letter kan hebben. Onderwijl denk ik of praat ik en dan zie ik hoe die krul uitvalt, wat die wel of niet kan hebben. Want met krullen is het effe bekijken, dat ze niet te veel konkurrentie krijgen. Want dan wordt het potsierlijk. De mensen in Amsterdam, de oude kroegen, de bruine café’s hebben een zwak voor de krulletter. Ik vind hem ook mooi, hoor, die letter ligt me gemakkelijk in de hand. Ik heb er feeling voor. Maar in wezen zijn alle letters goed. Of goed? Alle letters hebben hun bestaansrecht, om het maar zo te zeggen. Zo’n nieuwe zakelijke letter, zo’n schreefloze letter, een folio, een mercator en al die naampjes die ze tegenwoordig hebben, daar voel ik me minder bij thuis. Maar ze hebben wel een funktie. Als iemand van een technisch installatie-bureau mij vraagt, dan kan ik moeilijk met m’n krulletjes aankomen. Dan kom ik terecht bij een goeie schreefloze letter. Hij is alleen zo rot te schilderen. Kijk, ik heb een ambacht hè. De ontwikkeling van de letter, die zit ‘m ook in de mens z’n hand. Hè, de mens heeft de letter gecreëerd in de loop der tijden en mogelijk veranderd. Dus het ligt voor de hand dat een historisch-ambachtelijk lettertje het makkelijkst schildert.
En zo’n nieuw zakelijk stijl-lettertje, die draait de zaak andersom. Die zet alles in een vakje en die zet ook de mensen in een vakje. Dat zijn bijna geometrische figuren. Niet helemaal hoor, want zo’n letter 0 heeft ook iets esthetisch. Maar ik heb meer moeite om zo’n letter te schilderen. Zo’n 0 van de gill bijvoorbeeld, dat is het moeilijkste wat er is. Dat is passerwerk bijna, omdat het zo gebonden is, hè. Maar als ik het met een passer doe, dan wordt het heel erg steriel. Letterschilders die van de schildersschool afkomen, die kunnen dat. Het is een beetje maniërisme vaak, emotieloos, te veel techniekjes.
Ze maken zich druk over dat ene puntje, of dat onder de loep wel negentig graden is. Technisch schilderen die mensen goed; desnoods schilderen ze het drie keer over, iets wat ik beslist niet doe. Maar het is minder historisch verbonden met wat ik doe. Kijk, dat moderne dekoratieschilderen, daar heb ik geen band mee. Ik ben blij dat ik de grafische school heb gedaan en niet de schildersschool. Ik heb veel erkenning, hoor, ook onder vakidioten. Ze zeggen dat ik een goeie schilder ben en dat heb ik een beetje dank zij m’n grafische opleiding.
Ik zwerf overdag ergens in Amsterdam. Ik weet ‘s morgens ook niet hoe ik ‘s avonds eindig. Want het kan regenen, het kan een hele moeilijke, winderige hoek zijn. Ik weet nooit exact de opdracht, die is nooit omschreven.
En als ik vaak ergens ben, dan komt de koffieshop ernaast ook. En de Spaanse winkel aan de overkant, die komt ook. En dan komt er nog een koffieshop. Zo zie je maar. Ik sta niet in het telefoonboek. Alles wat ik doe heb ik van rekommandatie. Ik heb honderden, duizenden café-ruiten beschilderd. Maar ik maak ook borden. Voor een aantal palingboeren bijvoorbeeld. Die hebben daar een enorme behoefte aan. Die vertellen: Leo, als je eens wist wat dat scheelt in de omzet. Zij willen mooie, duidelijke borden van me hebben, borden die hun kollega’s niet hebben. Zij zijn blij dat ze mijn adressie hebben en dat verraden ze niet aan een ander. Ze zijn met die borden vereerd, ze zijn er blij mee. Ik word enorm verwend door mijn klanten, met drankjes enzo.
Af en toe moet ik wel eens oppassen dat ik geen alkoholist word. Want ik krijg wat aangeboden. Hé Rembrandt, neem een pilsie, ha Picasso! Al die populaire benaderingen, je kent dat wel. Dus ik krijg veel waardering, veel bijval van mensen. Nee, ik voel me geen kunstenaar. Het is allemaal abc-tje voor mij. Het is allemaal een lettertje, een indelinkje. Als het effekt maar goed is en de klant tevreden is. Ik voel me een ambachtsman. Zoiets als een goeie scheepstimmerman. Daar heb ik veel respekt voor.
Als ik schilder, dan scherm ik me af van mijn omgeving. Dat is noodzakelijk. Waarom? Ik heb een ander ritme over me door dat schilderen. Ik ben geen marktkoopman die loopt te schreeuwen en kontakt zoekt. Bij mij is het afsluiten en me koncentreren. Dat wil zeggen: ik hoor alles, hoor. Ik zie alles en als ik een fijn mens naast me heb die vraagt hoe ik dat doe enzo, dan heb ik een heerlijk dialoogje met zo iemand. Vooral met kinderen. Met kinderen erbij is het
het lekkerste werken; die zijn vaak zo heerlijk spontaan. Kun jij je voorstellen dat ik de hele dag drie, vier meter hoog op een treetje van een laddertje sta te werken, een treetje van zo breed. Ik heb te maken met de weerstand van de verf, ik sta m’n tenen bij elkaar te knijpen en sta me te koncentreren; vijf, zes uur op een dag. Dat is hetzelfde als vijf, zes uur yoga. Snap je wat ik bedoel? Dus dat is met inhoud. Ik geef me over, dat ik daar niet effe lekker kan staan kuchen of effe lekker het dier in Leo los kan laten gaan. Dat kan niet. Ik heb dan geen reëel kontakt, behalve met kinderen. Van nature heb ik iets ernstigs over me. Daarom kan ik me goed koncentreren. Ik koncentreer me gefronst, een beetje denkachtig type. En kom ik van dat treetje af, dan hoor ik vaak: wat kijk je boos. Dan ben ik niet boos, hoor, maar dan heb ik me uitgesloofd kwa koncentratie. Er zijn maar weinig mensen die werken zoals ik, vind ik. Dat heeft met m’n persoon te maken. Als ze vragen: Leo, wanneer ga je met vakantie? Nou, die mensen begrijpen mij niet. Want ik heb het gevoel dat ik altijd op vakantie ben. En ik ken de hele wereld rond als ik wil. Dat is een kwestie van een ticket kopen en om zo laat weggaan en aankomen. Maar dat is mijn leven niet gewoon.
Bij letterschilderen ben ik gebonden. Dat heeft te maken met een soort bewustwording. Een bewustwording van eenheid van tegendelen, dat wil zeggen van wit en zwart op elkaar in laten grijpen.
De Chinezen doen dat heel erg goed. Die werken in hun karakters met elementen van lucht en aarde, waar een goeie evenwichtige verhouding tussen moet bestaan. Mijn essentie is nu, dat die eenheid van tegendelen, dus de logika, de konsekwentie van de penseel, dat je die in de letters die je schildert terugvindt. De vorm, die kun je van binnen naar buiten zien en van buiten naar binnen, en de witruimtes ertussen, die moeten in verhouding, in evenwicht zijn, die moeten in elkaar overgaan. Het is zoiets als dat je vroeger de gulden snede-verhouding had. Nou, deze verhoudingen zijn belangrijk. Hoe de letter staat, van dik naar dun en van links naar rechts. Dat is een kwestie van bewustwording. Letters mogen geen ding ansich worden. Ze moeten kloppen. Anders wordt het ordinair’.

Interview: Bob Malmberg.
Text published in Grafisch Nederland 1983.
Kijk! Letters! Issue

Comments

No Comments Yet

You can be the first to comment!

Leave a reply

* required fields